Serge Blanc-Potard – 55 jaar – Choux
Timmerman, "Compagnon du Tour de France", "beste ambachtsman van Frankrijk"

Ik ben geboren in Bouchoux op 10 augustus 1948. Mijn vader, een timmerman in Choux, werkte alleen. Mijn moeder werkte in de fabriek en hield zich bezig met het huis. Net als alle plattelandsjongens nam ik deel aan dat landelijke leven.
Mijn grootvader, een koetsier en landbouwer, heeft me laten proeven van de woeste verlatenheid van de natuur. Dankzij die vertrouwelijkheid heb ik ontdekt hoe moedig en volhardend de landbouwers van de Haut-Jura waren, aangezien ze zich afbeulden op een schrale grond die al eeuwenlang werd begoten met het zweet van hun voorouders. Op zijn gelaat dat gegroefd was door de ruwheid van de seizoenen, kon je een gevoel voor delen en vrijgevigheid aflezen. Ik heb nog altijd heimwee naar die verdwenen landbouwwereld, want de grootsheid van ons gebergte hebben we te danken aan de deugden ervan.
Ik heb mijn broek versleten op de banken van de gemeenteschool, tot ik het bewijs van met goed gevolg doorlopen lager onderwijs kreeg. Zodra ik dat had, ben ik bij mijn vader in de leer gegaan. Tijdens de winter deed ik fijn timmerwerk en in de zomer grof timmerwerk. De werkweek begon op maandag en eindigde op zaterdagavond. Soms ruimden we op zondagochtend de werkplaats op, voordat we naar de mis gingen.
Bij mijn vader was de tijd van geen tel. We deden de dingen gewoon goed. Ik schreef me in voor de schriftelijke cursussen van de "Chambre de Métiers" (organisatie van het midden- en kleinbedrijf) en behaalde na 3 jaar het vakdiploma voor fijn timmerwerk en een jaar later het vakdiploma voor grof timmerwerk. Ik heb die diploma's dus met succes behaald zonder ooit naar de les te zijn geweest, omdat mijn vader geen auto had.
Van mijn vader heb ik de voorliefde voor inspanningen, nauwkeurige handelingen, de passie en de deugdzaamheid van een goed uitgevoerd werk meegekregen. Daarom koesterde ik na mijn militaire dienst de wens om de "Tour de France" te gaan doen, om te gaan reizen en de bouwers te ontmoeten die door sommigen als mysterieuze ambachtslieden werden beschouwd. Mijn vader was daar nauwelijks over te spreken, want hij verloor dus zijn enige werknemer.
Half september 1970 ben ik op 22-jarige leeftijd naar de zetel van "Les Compagnons Charpentiers des Devoirs du Tour de France" in Lyon gegaan. Tijdens die vijf jaar heb ik als "zwerver" het geluk gehad om tijdens de avondlessen en op de bouwterreinen enkele "topfiguren" te ontmoeten. Die wijze en plichtsbewuste mensen hebben mij veel bijgebracht over heel wat zaken. De meesten zijn er vandaag niet meer, maar ik moet altijd weer aan hen denken wanneer ik een bepaald werk verricht.
Ik werd opgenomen als "Compagnon Charpentier" in Grenoble, op de dag van Sint-Jozef in 1978, onder de naam van "Franc-comtois la Fermeté". Wat is een "Compagnon"? Eerst en vooral een vakman die eropuit is om bepaalde regels te respecteren, met het oog op onderlinge hulp, morele verhevenheid en professionele vervolmaking. De traditie van de "Compagnonnage" geeft iedereen het gevoel van de bewaarder van een verleden en de verantwoordelijke van een toekomst te zijn.
Ik ben in juli 1978 naar de streek teruggekeerd. Ik heb van ons gebergte afstand moeten nemen om mij bewust te kunnen worden van de schoonheid van onze bossen en van de verknochtheid van de mensen van de streek.
In de lente van 1979 ben ik als zelfstandige begonnen.
Sindsdien zijn meer dan 75 jongeren bij me langs geweest. Ben ik erin geslaagd om mijn passie voor goed uitgevoerd werk over te brengen? Ik betwijfel het. Niettemin heb ik mijn best gedaan om hen ervan te overtuigen dat er veel nuttigere zaken bestaan dan "achter de meiden aan te lopen of joints te roken".
Vandaag bewerk ik mijn twaalfde klokkentoren. Ik tel niet langer de trappen of de kromme gebinten. Ik heb niet altijd geluk gehad, maar ik heb mijn schulden altijd betaald. Om vandaag de dag in onze beroepen op sociaal vlak succes te boeken, moet je over nuttige relaties beschikken, trucjes gebruiken en ronkende titels hebben. Je moet onderdanige buigingen maken voor al die geldverstrekkers. Je als het ware in een keurslijf persen. Of het nu van nature dan wel instinctief is, ik heb me nooit laten verleiden door dat leger van zaakwaarnemers, door die "dandy's" met hun vlinderdasje, die uit ik weet niet welke opvoedkundige eenheid afkomstig zijn.
Net als mijn voorouders volg ik die bescheiden weg, die het menselijke bewustzijn uitnodigt om zich van al dat overbodige te ontdoen, en om in het werk een vorm van voldoening te vinden.
In onze bergen bestaan het goede en het kwade naast elkaar. Moge die woeste natuur vreugde in ons hart brengen, mogen onze grote dennen onze longen vol zuurstof pompen en moge de Jurawijn zacht in onze aderen kruipen en onze handelwijze inspireren. Vergeet nooit wat een dichter ooit zei: "Je kan alle zwaluwen doden, maar de komst van de lente zal je nooit verhinderen."
Een goed verstaander heeft maar een half woord nodig!












